Brandstoffen: bouwen aan nieuwe energieketens
In mei 2025 gebeurde iets wat een paar jaar geleden nog uitzonderlijk zou hebben geleken. In de Amsterdamse haven werd het offshore-installatieschip Boreas van Van Oord voorzien van 500 ton groene methanol. Niet tijdens een proef, maar als onderdeel van een reguliere bunkeroperatie. De brandstof werd geleverd vanaf het bunkerschip Chicago bij een terminal in de Amerikahaven.
Op het eerste gezicht lijkt dit een verhaal over één nieuwe brandstof. Maar achter deze levering schuilt een veel grotere ontwikkeling. Om groene methanol aan boord van een schip te krijgen, zijn producenten nodig die de brandstof maken, terminals voor opslag, infrastructuur voor transport en afnemers die bereid zijn erop over te stappen. Pas als al die schakels op elkaar aansluiten, ontstaat een nieuwe energiestroom.
Precies daarin zit de transitie die momenteel in de Amsterdamse haven zichtbaar wordt. De verandering draait niet alleen om nieuwe brandstoffen, maar vooral om het bouwen van nieuwe energieketens.
De brandstoffen veranderen, de rol van de haven blijft
Al meer dan een eeuw is Amsterdam een energiehaven. Via de haven vinden brandstoffen hun weg naar industrie, bedrijven en consumenten in Nederland en ver daarbuiten. Die functie verandert niet. Wat wel verandert, zijn de producten die door de haven stromen.
Waar fossiele olieproducten jarenlang dominant waren, groeit het aandeel duurzame alternatieven. Sinds 2020 is de opslagcapaciteit voor duurzame componenten in het Amsterdamse havengebied gegroeid van ongeveer 300.000 naar zo’n 700.000 kubieke meter. Ook de overslag van niet-fossiele producten nam in die periode toe van ongeveer 2 miljoen ton naar meer dan 7 miljoen ton. In 2025 werd ongeveer 7,9 miljoen ton aan pure renewable liquids via het havengebied vervoerd, ruim 10 procent meer dan een jaar eerder.
Die cijfers laten zien dat de energietransitie in de haven niet alleen op papier bestaat. Tegelijkertijd staat deze ontwikkeling nog maar aan het begin. Anders dan in de fossiele economie is er niet één duidelijke vervanger voor olie of aardgas. Er ontstaat een breder landschap van duurzame energiedragers, elk met eigen toepassingen, grondstoffen en logistieke eisen.
Van één systeem naar meerdere ketens
De fossiele economie is in ruim een eeuw opgebouwd. Producenten, vervoerders, opslagbedrijven en afnemers hebben daarin vaste rollen gekregen. De infrastructuur ligt er en markten functioneren volgens bekende patronen.
Voor duurzame brandstoffen geldt dat veel van die ketens nog in ontwikkeling zijn. Voor de luchtvaart wordt gewerkt aan duurzame vliegtuigbrandstoffen. In de scheepvaart groeit de belangstelling voor methanol en (bio)-LNG. Voor zwaar transport en bestaande dieselmotoren spelen biodiesel en andere biobrandstoffen een belangrijke rol. Ook biogas wint terrein als alternatief voor fossiel gas, onder meer door organische reststromen om te zetten in hernieuwbare energie.
Elke brandstof vraagt om een eigen combinatie van grondstoffen, productie, opslag, transport en gebruik. De uitdaging zit daarom niet alleen in het ontwikkelen van nieuwe brandstoffen, maar vooral in het organiseren van de verbindingen tussen al die schakels.
Juist havens spelen daarin een sleutelrol. Nieuwe energiedragers worden vaak geproduceerd op andere plekken dan waar ze uiteindelijk worden gebruikt. Dat vraagt om locaties waar import, opslag, verwerking, distributie en gebruik samenkomen. De Amsterdamse haven vervult die rol al generaties lang en wordt steeds vaker gebruikt als knooppunt voor hernieuwbare energie, duurzame brandstoffen en nieuwe grondstoffenketens.
Bestaande bedrijven, nieuwe markten
De verandering wordt zichtbaar bij bedrijven die al jarenlang onderdeel zijn van het havengebied. Neem VTTI, eigenaar van de Eurotank Terminal in de Amsterdamse Petroleumhaven. Het bedrijf is historisch sterk verbonden met fossiele energiestromen en benzineblending, maar werkt tegelijk aan nieuwe activiteiten rond hernieuwbare grondstoffen en duurzame brandstoffen. Een voorbeeld is de ontwikkeling van een installatie voor het voorbehandelen van grondstoffen voor biobrandstoffen, samen met partners. Port of Amsterdam werkt daarbij onder meer aan de kade die voor dit project nodig is.
Ook DARE beweegt in deze richting. Het bedrijf is eigenaar van een ethanolterminal in het havengebied en onderzoekt uitbreiding van opslagcapaciteit voor biobrandstoffen. Daarbij gaat het niet alleen om extra tanks, maar ook om ruimte, bereikbaarheid vanaf het water en de vraag hoe nieuwe activiteiten passen binnen de bestaande havenomgeving.
Daarnaast zijn er bedrijven die al langer duurzame brandstoffen produceren. Greenergy en Argent Energy maken biodiesel uit reststromen zoals gebruikte frituurvetten en afvaloliën. Biogasproducenten zetten organische reststromen om in hernieuwbaar gas. Daarnaast wordt op verschillende locaties in het havengebied gekeken hoe nieuwe initiatieven rond waterstof, methanol, biogas en CO₂ kunnen worden ingepast.
Dat zijn meer dan losse projecten. Samen laten ze zien hoe bestaande bedrijvigheid zich aanpast aan nieuwe markten, andere grondstoffen en veranderende energievraag.
Waarom gaat dit niet vanzelf?
Van buitenaf lijkt de energietransitie soms vooral een technische uitdaging. Ontwikkel een nieuwe brandstof, bouw een fabriek en de markt volgt vanzelf. De praktijk is ingewikkelder.
Nieuwe ketens lopen aan tegen netcongestie, stikstofvraagstukken, schaarse fysieke ruimte, beperkte milieuruimte, vergunningstrajecten en onzekerheid over toekomstige regelgeving. Bedrijven moeten vaak investeren voordat er voldoende vraag is. Tegelijkertijd wachten afnemers soms juist op voldoende beschikbaarheid voordat zij overstappen.
De uitdaging zit daardoor niet zozeer in één ontbrekende technologie, maar in de samenhang tussen alle onderdelen. Een keten werkt pas als productie, infrastructuur, logistiek en afzetmarkt zich gelijktijdig ontwikkelen. Als één schakel achterblijft, vertraagt de hele ontwikkeling.
De rol van Port of Amsterdam
Port of Amsterdam produceert zelf geen brandstoffen. De rol van het havenbedrijf ligt in het creëren van de randvoorwaarden waaronder nieuwe ketens kunnen ontstaan. Dat gebeurt door ruimte beschikbaar te maken, infrastructuur mogelijk te maken, partijen met elkaar te verbinden en samen met bedrijven te kijken hoe nieuwe activiteiten kunnen worden ingepast in het havengebied.
In de praktijk betekent dat vaak puzzelen. Met beschikbare kavels, kades, milieuruimte, veiligheidscontouren, aansluitingen op energie-infrastructuur en vergunningstrajecten. Soms gaat het om investeren in nieuwe kades. Soms om het reserveren van capaciteit of het voorbereiden van toekomstige infrastructuur. En soms om het samenbrengen van bedrijven die elkaar nodig hebben om een nieuwe keten van de grond te krijgen.
Dat proces verloopt zelden volgens een rechte lijn. Projecten lopen vertraging op, marktomstandigheden veranderen en niet iedere ontwikkeling haalt de eindstreep. Ook dat hoort bij een transitie.
Tussen ambitie en werkelijkheid
De energietransitie wordt soms voorgesteld alsof fossiele brandstoffen eenvoudig worden vervangen door duurzame alternatieven. De werkelijkheid is weerbarstiger. Nieuwe brandstoffen moeten hun plek verdienen in bestaande markten. Bedrijven investeren terwijl nog niet vaststaat welke oplossingen uiteindelijk dominant worden. Infrastructuur moet worden voorbereid voordat alle vraag zich volledig heeft ontwikkeld.
Juist daarom is de opbouw van nieuwe energieketens zo belangrijk. Niet omdat één brandstof de toekomst bepaalt, maar omdat een betrouwbaar en veerkrachtig energiesysteem meerdere opties nodig heeft. De Amsterdamse haven vervult daarin een rol als verbinder tussen productie, opslag, transport en gebruik.
Wie vandaag door het havengebied rijdt, ziet nog steeds tanks, terminals, kades en industrie. Maar achter die vertrouwde infrastructuur ontstaan geleidelijk nieuwe energiestromen. Niet van de ene op de andere dag, maar stap voor stap. En juist in die opbouw van nieuwe ketens wordt zichtbaar hoe de haven van Amsterdam verandert van fossiele energiehaven naar een knooppunt in een nieuw energiesysteem.