Beleidsregels passage marginale schepen door de Noordersluis IJmuiden en het Noordzeekanaal

Period: 
woensdag, 7 juni, 2017 - 00:15
Area: 
IJmuiden

De directeur van het openbaar lichaam Centraal Nautisch Beheer heeft, namens de hoofdingenieur-directeur in de dienst Noord-Holland van het Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, door besluit van 10 augustus 2011 (nr. 2011/129/CNB), gewijzigde beleidsregels vastgesteld voor het verlenen van ontheffing voor het toelaten en passeren van marginale schepen door de Noordersluis IJmuiden en het Noordzeekanaal.

Wettelijk kader:
Overeenkomstig het Binnenvaart Politie Reglement (BPR) artikel 9.02 1e lid en de in de Regeling communicatie en afmetingen rijksbinnenwateren, bijlage 3 vermelde vaarwegen, dient een schip of samenstel zich te houden aan de ter plaatse voorgeschreven grootste scheepslengte, -breedte of -diepgang.
De bevoegde autoriteit kan conform het BPR artikel 9.02 3e lid onder voorwaarden ontheffing verlenen voor schepen welke de grootste afmetingen uit bijlage 3 van de Regeling communicatie en afmetingen rijksbinnenwateren overschrijden.

Grootste scheepsafmetingen (zonder ontheffing):
Voor het, zonder ontheffing, toelaten en passeren van schepen door de Noordersluis en het Noordzeekanaal, gelden onderstaande afmetingen:

grootste lengte ≤325,0m;

meetbriefbreedte ≤42,0m;

grootste diepgang ≤13,10m (diepgang in zeewater, oostgaand);

grootste diepgang ≤13,40m (diepgang in zoetwater, westgaand).

Tijdens de passage van de Noordersluis door schepen zonder ontheffing, dient in alle gevallen een keelclearance ≥1,00m gehandhaafd te blijven.

Grootste scheepsafmetingen (met ontheffing):
Voor het, met ontheffing, toelaten en passeren van schepen door de Noordersluis en het Noordzeekanaal, gelden onderstaande afmetingen:

meetbriefbreedte >42,0m en ≤45,0m;

grootste diepgang >13,10m en ≤13,75m (diepgang in zeewater, oostgaand);

grootste diepgang >13,40m en ≤14,05m (diepgang in zoetwater, westgaand);

grootste lengte >325,0m en ≤350,0m.

Schepen welke met ontheffing, zoals bedoeld in het BPR artikel 9.02 3e lid en in deze beleidsregels, de Noordersluis en het Noordzeekanaal passeren, worden in deze beleidsregels marginale schepen genoemd.

Aanvraag tot ontheffing:
(Vertegenwoordigers van) marginale schepen dienen twee dagen (48 uur) voor de verwachte passage van het marginale schip door de Noordersluis en het Noordzeekanaal bij de bevoegde autoriteit op onderstaand adres de betreffende ontheffing aan te vragen:

Havenbedrijf Amsterdam N.V.
Divisie Havenmeester, afdeling Verkeersleiding
t.a.v. VTS Coördinator
Seinpostweg 19
1976 BT IJmuiden
 

telefoon         : +31 (0)205234600  (optie 7)
email              : vtsadmin@portofamsterdam.com
 

Aanleiding tot wijziging van de beleidsregels:

Herdefiniëring scheepsafmetingen in de Noordersluis en het Noordzeekanaal:
Met Rijkswaterstaat is, ter bevordering van de eenduidigheid, overeengekomen om de scheepsbreedte zoals bedoeld in de internationale meetbrief 1969, te hanteren.

Lengtegrens:
Door de groei van de afmetingen in de zeevaart is de toegestane lengtegrens voor de Noordersluis binnen bereik gekomen. Daarom is de categorie marginale schepen met deze categorie uitgebreid.

Inwerkingtreding van de beleidsregels:
De beleidsregels treden met ingang van 7 juni 2017 in werking. De regels zoals bekendgemaakt in Basijn 33/2011 komen door het bekendmaken en publiceren in deze basijn te vervallen.

Categorieën marginale schepen:
Voor het schutten en passeren van de Noordersluis en Noordzeekanaal worden vijf categorieën marginale schepen onderscheiden.

De vijf categorieën zijn:

I.       meetbriefbreedte ≤42,0m en grootste diepgang >13,10m oostgaand (§ 5);

II.      meetbriefbreedte ≤42,0m en grootste diepgang >13,40m westgaand (§ 6);

III.     meetbriefbreedte >42,0m oostgaand (§ 7);

IV.    meetbriefbreedte >42,0m westgaand (§ 8);

V.     maximum lengte >325,0 m en ≤350,0m (§ 9).

Hoewel voor deze categorieën een aantal overeenkomstige voorwaarden zijn gesteld, worden deze voor de duidelijkheid onverkort per categorie opgesomd.

Categorie I, meetbriefbreedte ≤42,0m en grootste diepgang >13,10m oostgaand.
Voor deze categorie schepen geldt een maximum toegestane aankomstdiepgang van 13,75m in zeewater. Passage van de Noordersluis vindt plaats met inachtneming van onderstaande voorschriften.

De sluis mag niet eerder worden binnengevaren dan na uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit.

Het tijdstip van binnenvaren moet zijn gelegen binnen een, door de bevoegde autoriteit vastgestelde, van de waterstand en maximale diepgang afhankelijke, tijpoort.

Passage van de westelijke sluisdrempel:

i. de waterstand dient hoger of gelijk te zijn dan de in bijlage 1 genoemde minimale waterstand;

ii. indien tijdens sluispassage een seichesverwachting voor de Buitenhaven van kracht is, dient de actuele waterstand in het Noorderbuitentoeleidingskanaal tenminste gelijk of hoger dan NAP te zijn;

iii. de in i. en ii. bedoelde waterstand mag echter zoveel minder zijn naarmate de diepgang minder bedraagt dan 13,75m;

Sleepbootassistentie:

i. bij het invaren, moet assistentie worden verleend door een voor‑ en een achtersleepboot, met elk een statische trekkracht van tenminste 30 ton;

ii. bij het uitvaren, moet assistentie worden verleend door een voorsleepboot met een statische trekkracht van tenminste 30 ton;

iii. Om de dwarsscheepse beweging van het schip in de sluis te controleren dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van de vastgemaakte voorsleepboot of voor- en achtersleepboot; Om schade aan de sluismuren en bodem te voorkomen dient het gebruik van dwarsthrusters beperkt te worden.

Het Kanaalpeil mag bij het passeren van de oostelijke sluisdrempel niet lager zijn dan NAP-0,47m.

De snelheid mag bij het passeren van de sluisdrempels niet meer bedragen dan 1,5 km/uur.

Categorie II, meetbriefbreedte ≤42,0m  en grootste diepgang >13,40m westgaand
Voor deze categorie schepen geldt een maximum toegestane vertrekdiepgang van 14,05m in zoetwater. Passage van de Noordersluis vindt plaats met inachtneming van onderstaande voorschriften.

De sluis mag niet eerder worden binnengevaren dan na uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit.

Het tijdstip van uitvaren moet zijn gelegen binnen een, door de bevoegde autoriteit vastgestelde, van de waterstand en maximale diepgang afhankelijke, tijpoort.

Passage van de westelijke sluisdrempel:

i. de waterstand dient hoger of gelijk te zijn dan de in bijlage 1 genoemde minimale waterstand;

ii. indien tijdens sluispassage een seichesverwachting voor de Buitenhaven van kracht is, dient de actuele waterstand in het Noorderbuitentoeleidingskanaal tenminste gelijk of hoger dan NAP te zijn.

iii. de in i. en ii. bedoelde waterstand mag echter zoveel minder zijn naarmate de diepgang minder bedraagt dan 14,05m.

Sleepbootassistentie:

i. bij het invaren, moet assistentie worden verleend door een voor‑ en een achtersleepboot, met elk een statische trekkracht van tenminste 30 ton.

ii. bij het uitvaren, moet assistentie worden verleend door een voorsleepboot met een statische trekkracht van tenminste 30 ton.

iii. Om de dwarsscheepse beweging van het schip in de sluis te controleren dient zo veel mogelijk gebruik te worden gemaakt van de vastgemaakte voorsleepboot of voor- en achtersleepboot. Om schade aan de sluismuren en bodem te voorkomen dient het gebruik van dwarsthrusters beperkt te worden.

Het Kanaalpeil mag bij het passeren van de oostelijke sluisdrempel niet lager zijn dan NAP-0,47m.

De snelheid mag bij het in‑ en uitvaren van de Noordersluis niet meer bedragen dan 1,5 km/uur.

Categorie III, meetbriefbreedte >42,0m oostgaand
Voor deze categorie schepen geldt een maximum toegestane aankomstdiepgang in zeewater waarvan de waarde correspondeert met de meetbriefbreedte volgens de in bijlage 1 opgenomen tabel. Passage van de Noordersluis vindt plaats met inachtneming van onderstaande voorschriften.

De sluis mag niet eerder worden binnengevaren dan na uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit.

Het tijdstip van binnenvaren moet zijn gelegen binnen een, door de bevoegde
autoriteit vastgestelde, van de waterstand, meetbriefbreedte en maximale diepgang afhankelijke, tijpoort.

Passage van de westelijke sluisdrempel:

i. de waterstand dient hoger of gelijk te zijn dan de in bijlage 1 genoemde minimale waterstand;

ii. indien tijdens de sluispassage een seichesverwachting voor de Buitenhaven van kracht is, dient de actuele waterstand in het Noorderbuitentoeleidingskanaal hoger of gelijk aan NAP te zijn;

iii. de in i. en ii. bedoelde waterstand mag echter zoveel minder zijn naarmate de diepgang minder bedraagt dan de in de tabel genoemde diepgang.

Sleepbootassistentie:

i. bij het invaren, moet assistentie worden verleend door een voor- en een achtersleepboot, met elk een statische trekkracht van tenminste 30 ton.

ii. bij het uitvaren, moet assistentie worden verleend door een voorsleepboot met een statische trekkracht van tenminste 30 ton.

iii. Om de dwarscheepse bewegingen van het schip in de sluis te controleren dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van de vastgemaakte voorsleepboot of voor- en achtersleepboot. Om schade aan de sluismuren en bodem te voorkomen dient het gebruik van dwarsthrusters beperkt te worden.

Het zicht bij de Noordersluis moet, ingeval van schepen waarbij de brugvIeugels volledig tot de scheepszijden zijn doorgetrokken, op het moment dat de verkenningston (IJM-C) wordt gepasseerd, tenminste twee maal de scheepslengte plus 200m bedragen. Wanneer de brugvleugels niet tot de scheepszijden zijn doorgetrokken, moet op dat moment het zicht tenminste 1000m bedragen.

De dwarswindcomponent van de wind mag, overeenkomstig bijlage 2, niet meer dan  5bft of 10 m/s bedragen.

Het Kanaalpeil mag bij het passeren van de oostelijke sluisdrempel niet lager zijn dan NAP-0,47m.

De snelheid mag bij het in- en uitvaren van de Noordersluis niet meer bedragen dan 1,5 km/uur.

Categorie IV, meetbriefbreedte >42,0m westgaand
Voor deze categorie schepen geldt een maximum toegestane vertrekdiepgang in zoet water waarvan de waarde correspondeert met de scheepsbreedte volgens de in bijlage 1 opgenomen tabel. Passage van de Noordersluis vindt plaats met inachtneming van onderstaande voorschriften.

De sluis mag niet eerder worden binnengevaren dan na uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit.

Het tijdstip van uitvaren moet zijn gelegen binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde van de waterstand, breedte en diepgang afhankelijke tijpoort.

Passage van de westelijke sluisdrempel:

i. de waterstand dient hoger of gelijk te zijn dan de in bijlage 1 genoemde minimale waterstand;

ii. indien tijdens de sluispassage seichesverwachtingen van kracht zijn, dient de waterstand in het Noorderbuitentoeleidingskanaal hoger of gelijk aan NAP te zijn;

iii. de in i. en ii. bedoelde waterstand mag echter zoveel minder zijn naarmate de diepgang minder bedraagt dan de in de tabel genoemde diepgang.

Sleepbootassistentie:

i. bij het invaren, moet assistentie worden verleend door een voor- en een achtersleepboot, met ieder een statische trekkracht van tenminste 30 ton.

ii. bij het uitvaren, moet assistentie worden verleend door een voorsleepboot met een statische trekkracht van tenminste 30 ton.

iii. Om de dwarsscheepse bewegingen van het schip te controleren dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van de vastgemaakte voorsleepboot of voor- en achtersleepboot. Om schade aan de sluismuren en bodem te voorkomen dient het gebruik van dwarsthrusters beperkt te worden.

Het zicht bij de Noordersluis moet, ingeval van schepen waarbij de brugvIeugels volledig tot de scheepszijden zijn doorgetrokken, bij vertrek van de ligplaats, tenminste twee maal de scheepslengte plus 200m bedragen. Wanneer de brugvIeugels niet tot de scheepszijden zijn doorgetrokken, moet op dat moment het zicht tenminste 1000m bedragen.

De dwarswindcomponent mag, overeenkomstig bijlage 2, niet meer dan 5bft of 10,0m/s bedragen.

Het Kanaalpeil mag bij het passeren van de oostelijke sluisdrempel niet lager zijn dan NAP-0,47m.

De snelheid mag bij het in‑ en uitvaren van de Noordersluis niet meer bedragen dan 1,5 km/uur.

Categorie V, maximum lengte >325m en ≤350m, meetbriefbreedte ≤42,0 m en maximum diepgang ≤13,10m
Ongeacht de schutrichting vindt passage van de Noordersluis plaats met inachtneming van onderstaande voorwaarden:

De sluis mag niet eerder worden binnengevaren dan na uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteit;

Sleepbootassistentie:

i. bij het invaren, moet assistentie worden verleend door een voor- en een achtersleepboot met elk een statische trekkracht van tenminste 30 ton.

ii. Om de dwarsscheepse bewegingen te controleren dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van de vastgemaakte voor- en achtersleepboot. Om schade aan de sluismuren en bodem dient het gebruik van dwarsthrusters beperkt te worden.

De dwarswindcomponent mag bij sluispassage niet meer dan 5bft of 10,0m/s bedragen.

bijlage 1, Meetbriefbreedte-, maximum diepgang en waterstand

Maximum toegelaten diepgangen (oostgaand en westgaand) corresponderend met de meetbriefbreedte van het marginale schip.

* Zonder uitstaande seiche waarschuwingen Buitenhaven IJmuiden

bijlage 2, Dwarswindcomponent bij passage Noordersluis

 

096-276: asrichting van de Noordersluis (rode lijn)

              dwarswindcomponent uit de vermelde richtingen en windkracht is ≤5 bft of ≤10 m/s; (groen vlak)

              dwarswindcomponent uit de vermelde richtingen en windkracht is >5 bft of >10 m/s. (rode vlak)

bijlage 3, Begripsbepalingen

BPR:
Binnenvaartpolitiereglement.

Breedte volgens de Mal:

Hieronder wordt hetzelfde als de meetbriefbreedte begrepen.

Dwarswindcomponent:
De dwarswindcomponent is de ontbonden vector van de actuele windrichting- en kracht, welke 90º ten opzichte van de asrichting van de Noordersluis staat. (zie bijlage 2)

Keelclearance:
Vrije ruimte tussen scheepskiel en sluisdrempel bij een stilliggend schip.

Marginaal schip:
Schepen waarvan de grootste lengte, breedte of diepgang de in bijlage 13 van het BPR genoemde afmetingen overschrijden.

Meetbriefbreedte:

De scheepsbreedte zoals bedoeld in de internationale meetbrief (International Tonnage Certificate 1969) is de breedte in het midden van het schip over de buitenzijde van de spanten gemeten. Overeenkomstig deze definitie wordt de dikte van de huidbeplating en eventueel aangebrachte berghoutsgang, fendering en slijtplaten niet in de scheepsbreedte meegerekend.

In de praktijk is er een verschil van enkele centimeters tussen de grootste- en de meetbriefbreedte.

NAP:
Waterstand t.o.v. Normaal Amsterdams Peil.

Oostgaand:
Een schip dat vanaf de Noordzee naar het Noordzeekanaal vaart.

Seiches:
Lange staande golven, met een periode van 10 tot 120 minuten en een wisselende amplitude welke, onafhankelijk van het verticale getij, door resonantie in halfgesloten havenbekkens, zoals de Buitenhaven IJmuiden, kunnen optreden.

Seichesverwachting:
Seichesverwachtingen worden door het KNMI en Rijkswaterstaat, dienst Noordzee afdeling HMCN voor de Nederlandse kust uitgegeven en zijn gedurende de in het bericht genoemde periode geldig.

Tijpoort Noordersluis:
De periode waarin het marginale schip geschut kan worden, waarbij de minimale waterstand boven de westelijke sluisdrempel gelijk of hoger is dan de in bijlage 1 genoemde waterstand.

Vergunningsschip:
Hieronder wordt hetzelfde als een marginaal schip begrepen.

VTS-centrum HOC:
De verkeerspost Haven Operatie Centrum is verantwoordelijk voor de gehele verkeersplanning, -begeleiding en -afhandeling in het Noordzeekanaalgebied.

Vanuit deze locatie vindt ook de handhaving op het naleven van de beleidsregels passage Noordersluis IJmuiden en Noordzeekanaal door marginale schepen plaats.

Waterstand westelijke sluisdrempel:
De actuele waterstand van het zeewater t.o.v. NAP ter hoogte van de westelijke sluisdrempel van de Noordersluis.

Waterstand oostelijke sluisdrempel:
De actuele waterstand van het kanaalwater t.o.v. NAP ter hoogte van de oostelijke sluisdrempel van de Noordersluis.

Westgaand:
Een schip dat vanaf het Noordzeekanaal naar de Noordzee vaart.

Zoetwater:
Water met een gewicht van 1,000ton/m3.
Zeewater:
Water met een gewicht van 1,026ton/m3.

 

Heeft u vragen over deze basijn, dan kunt u contact opnemen met 020-5234692

De directeur van het openbaar lichaam Centraal Nautisch Beheer,

Tevens Rijkshavenmeester

M.F. van de Kerkhof

Announcement number: 
2017/31